Uitspraaktraining: Van moeilijke klanken naar vloeiend spreken
Werkwijze voor het verbeteren van je Engels accent. We behandelen de moeilijkste klanken en geven oefeningen die echt helpen.
Lees artikelOntdek welke grammaticale fouten het vaakst voorkomen en hoe je ze makkelijk kunt vermijden. Van vervoeging tot woordvolgorde.
Engels spreken is lastig. Je bent bezig met je gedachten, je probeert goed over te komen, en tegelijk moet je aan grammatica denken. Geen wonder dat fouten gebeuren. Het goeie nieuws? De meeste fouten zijn vermijdbaar als je weet waar op te letten.
We’ve onderzocht duizenden conversaties en gehoord wat leerlingen het meest tegen komen. Dit zijn de tien fouten die je voortgang het meest belemmeren. Beter nog: je kunt ze vandaag nog aanpakken.
Veel mensen zeggen “He are” of “You is”. Dit is één van de oudste fouten. Onthoud: I am, you are, he/she/it is, we are, they are. Oefening helpt. Zeg het hardop enkele keren per dag — je geheugen onthoudt het dan beter.
Fout: “She are a teacher.” Goed: “She is a teacher.”
Nederlands heeft geen persoonlijk voornaamwoord nodig voor het onderwerp, Engels wel. Je kan niet zeggen “Is good” — je moet zeggen “It is good”. Veel leerlingen slaan dit stap over omdat het Nederlands anders werkt. Let op: dit is een directe vertaling van hoe je Nederlands spreekt.
Fout: “Is raining today.” Goed: “It is raining today.”
Dit is genuanceerd, dus snap je als je het fout doet. Present Perfect beschrijft iets dat is begonnen in het verleden en nu nog relevant is. Simple Past is voorbij. “I have worked here for 3 years” (nog steeds hier) versus “I worked there 5 years ago” (niet meer daar). Let op de context.
Fout: “I worked here since 2020.” Goed: “I have worked here since 2020.”
Als het onderwerp enkelvoud is, moet het werkwoord ook enkelvoud zijn. “The team is winning” niet “The team are winning”. Dit hangt samen met hoe je het onderwerp ziet. Een team is één ding, dus singular. In het Nederlands voel je dit misschien anders aan.
Fout: “The group are ready.” Goed: “The group is ready.”
Artikelen zijn lastig. “A” voor iets onbepaald (“I need a pen”), “the” voor iets bepaald (“The pen on the desk”). Nederlands gebruikt artikelen anders, dus je voelt dit niet automatisch. Veel leerlingen zeggen “I go to school” wanneer het “I go to the school” moet zijn — of omgekeerd. Context bepaalt het.
Fout: “I saw movie yesterday.” Goed: “I saw the movie yesterday.”
Engelse vragen volgen een patroon: hulpwerkwoord + onderwerp + hoofdwerkwoord. “Do you like pizza?” niet “You do like pizza?”. In het Nederlands is dit anders, dus je voelt het verkeerd aan. Oefen met veelgebruikte vragen zodat het natuurlijk gaat voelen.
Fout: “You have seen the film?” Goed: “Have you seen the film?”
Niet alle werkwoorden vormen het verleden met “-ed”. Go went, eat ate, see saw. Er zijn ongeveer 200 onregelmatige werkwoorden in het Engels. Je hoeft niet alles te kennen, maar de meest gebruikte wel. Maak een lijstje van werkwoorden die je regelmatig gebruikt en leer de vormen ervan.
Fout: “I goed to the store.” Goed: “I went to the store.”
Deze inhoud is bedoeld om je Engels te verbeteren. Iedereen leert anders en in hun eigen tempo. De fouten hier zijn veelvoorkomend, maar niet iedereen maakt ze. Focus op de fouten die jij maakt en werk daar aan. Grammatica is slechts één onderdeel van vloeiend Engels spreken.
Voorzetsels zijn verradelijk. “On time” (op tijd), “in time” (op het moment, net op tijd), “at time” (meestal niet gebruikt). Ze volgen geen duidelijke regel. Je leert ze het best door veel Engels te horen en lezen. Pas ze toe in zinnen zodat je geheugen het oppikt.
Fout: “I arrived in the meeting on time.” Goed: “I arrived at the meeting on time.”
Sommige werkwoorden willen altijd een bepaalde vorm. “Enjoy” wil gerund (enjoy + -ing), “want” wil infinitief (want + to). Veel leerlingen zeggen “I enjoy to read” maar het moet “I enjoy reading” zijn. Dit zijn vaste patronen die je het best met herhaling leert.
Fout: “I want going to the cinema.” Goed: “I want to go to the cinema.”
Sommige zaken kun je tellen (books, chairs), anderen niet (water, advice, information). Met telbare naamwoorden zeg je “a” en “many”, met ontelbare zeg je “much”. “Much water” niet “many water”. Nederlands maakt deze onderscheiding ook, dus dit voelt misschien bekend. Let op: “advice” is altijd ontelbaar — “advices” bestaat niet.
Fout: “I need many information.” Goed: “I need much information.” of “I need a lot of information.”
Kennis van fouten helpt, maar oefening is essentieel. Hier’s hoe je voortgang maakt.
Je hersenen leren door te doen. Praat met jezelf, met vrienden, in een conversatieclub. Fouten maken is oké — dat’s hoe je leert.
Journal in het Engels. Je hoeft niet perfect te zijn — schrijf wat je denkt. Later kun je jezelf corrigeren.
Podcasts, films, TED-talks. Je oor zal de juiste structuren herkennen zonder erover na te denken.
Al deze tien fouten tegelijk aanpakken? Onmogelijk. Kies één, werk eraan twee weken, ga dan naar de volgende.
Engels spreken is een vaardigheid. Je laat het niet in één week weg. Maar je kunt het beter maken door gericht te oefenen. Deze tien fouten zijn de grootste struikelblokken voor veel leerlingen. Ervan weten betekent dat je ze ziet aankomen. Je kunt ze corrigeren.
Start klein. Kies één fout die je veel maakt. Oefen twee weken. Voeg dan de volgende toe. Je zult merken dat Engels spreken steeds natuurlijker voelt. Het is niet over vervolmaking — het gaat over voortgang.